woensdag 10 oktober 2007

9.Het laatste oordeel.

Tom loopt de kerk binnen, het is jaren geleden dat hij het huis van de Heer heeft betreden.
Hij ziet iemand knielend voor het altaar, huilend zo het lijkt, wat een overrompelend beeld om de geestelijke op deze manier te zien.
Langzaam nadert Tom de man en knielt naast hem,"Vader, heeft u ook zo uw bedenkingen over het doel van alles, de altijd rijzende vraag en twijfel over goed en kwaad en de aanwezigheid van God?"
Geschrokken kijkt de man op, niet beseffend dat hij niet alleen was, was het zo overduidelijk, zijn twijfel en vragen, als deze man het al zag, dan had God het allang gezien.
Hoe kon een dienaar, zijn meester zo afgunstig zijn, Zijn alwetendheid in twijfel trekken.
Waar leid dit heen als zelfs de dienaar Gods zich niet meer zeker voelt van zijn roeping.

"Vader ik heb uw hulp nodig, er is iets gaande en ik weet niet hoe ik het u moet zeggen, ik heb uw hulp zeker nodig."
"Hoe kan ik u nou van dienst zijn? Als u al ziet dat ik mijn roeping in twijfel trek. Ik ben mijn abt niet waardig, niet op dit moment en ik vraag me af of ik dat ooit weer zal kunnen zijn."
"Vader, er is iets gaande, mensen veranderen, hun doen en laten, hun inwendige ik, hun ziel. Het is net of we langzaam overgenomen worden door iets of iemand anders."


Langzaam krijgt hij weer vat op zijn lichaam, zijn lichaam, niet van de onbenul die het zolang voor hem in bewaring had en het conserveerde tot het tijd was.
Waarom is hij hierheen gegaan, alsof er een hogere macht is, iemand hoger dan het intelligente leven dat langzamerhand de wereld zou veroveren, met veel plezier zouden ze de gebedshuizen met de grond gelijk maken, alsof er iets hogers zou zijn, de mens is zwak en zij waren superieur.

"Vader, ik heb niet lang meer, ik voel datgene in mij, het word sterker en vecht zich verder mijn lichaam in, dwingt mijn ziel mijn lichaam te verlaten, hoe moet ik verder zonder ziel?"

"De Heer had dit voorzien, vrees ik en wacht af, om te zien hoe zijn kinderen dit oplossen.

"Hoe bedoelt u?" Tom is nauwelijks verrast, ergens verwachte hij al zo`n antwoord, maar toch, het maakte een behoorlijke indruk op hem.
"God stelt ons op proef, bedoelt u? Hoe kan dit dan gebeuren, waar komt dit vandaan?


"Waar hoop je op?


Beide mannen kijken verschrikt op, de stem kwam uit het niets, zo zuiver, zo luid.
Tom begreep dat het wezen nu ook al zich kon uiten via hem.
"Vader wat kunnen we nu doen, het begint nu zover te komen, ik ben bang dat mijn ziel verloren gaat en dat dat moment snel nadert

De man zegt niks en ligt languit op de grond, het aanblik van God, zoals hij het moment ervaren had was teveel geweest, hij stierf omdat hij voelde zijn meester gefaald te hebben, zijn hart trok het gewoonweg niet meer.

maandag 8 oktober 2007

8.Zijn geloof en het verlies ervan.

Zijn kerk was leeg, zo stil, zo sereen.
Er waren vandaag enkele gelovigen geweest, maar van een stormloop was al jaren geen sprake meer.
Toch nam het aantal mensen toe de laatste tijd, was het omdat er steeds meer onverklaarbare dingen gebeurden, of kwam men tot inkeer?
De twijfel of hij de juiste keuze had gemaakt, was nu het gevecht van de dag, enerzijds zijn vertrouwen en liefde in de Heer, anderzijds de verslagenheid waarmee hij zijn parochie leidde.
Hij floot opgewekt voordat hij aan zijn mis begon, de akoestiek was fenomenaal, de bouw van zijn schip was perfect, als hij preekte hoefde hij zich niet echt in te spannen, de kerk liet zijn woorden met de juiste klanken rondgaan, alsof God zelf het geluid afgesteld had, maar dat was weleer.
Nu kon hij amper lachen, laat staan fluiten, zijn kerk was leeg en de toename van mensen was voor hem geen reden om zijn twijfels weg te nemen.

De Heer, zijn Heer was toch alwetend, had zelfs Hij dit niet voorzien dan?
De twijfels in het geloof waren nog nooit eerder aanwezig geweest, maar nu leek het of ze niet meer zouden afnemen, enkel toenemen.

Wat was het dat de mens de kerk liet voor wat het was, hij was erop gebrand te preken, niet te beleren, de mens de kans te geven zijn eigen oordeel te vellen en de hand des Gods als een veilige thuishaven te aanvaarden.

Want was zijn kerk niet een veilige thuishaven geweest voor eenieder die daar behoefte aan had, gelovig of niet, iedereen was welkom.
En waren er de voorgaande jaren niet veel mensen geweest met vragen, vragen die ze wel aan een dienaar van God toe vertrouwden?

Zijn leven had in teken gestaan van naastenliefde en vol betekenis geweest voor de bevolking, maar nu schenen ze Hem niet meer nodig te hebben.
Maar nu er steeds meer dingen gebeurden, dingen die onverklaarbaar waren, kwamen ze wel weer, niet in grote getale, maar dat liet niet lang op zich wachten.
Maar dat was Zijn bedoeling toch niet in het GROTE GEHEEL, dat de mens alleen kwam als zij zich bedreigd voelde.
Zijn twijfel nam steeds meer toe, de Heer liet niets doorschemeren of dit allemaal toe behoorde aan het grotere geheel, hij wachtte op een teken, een baken in de duisternis, een hand van God die hem de juiste richting wees, maar tot op heden, juist nu, was er helemaal niks.

Zijn geloof verloor de waarde die het ooit had.
En dat deed hem zeer, datgene wat hem jarenlang op de been hield, werd steeds meer een gewetensvraag, een wroeging, zijn achilleshiel.
Wat ooit was en ergens voor stond, bleek nu ineens zo onecht, onrealistisch en nep.
Hij vouwde zijn handen en bad om vergiffenis voor zijn twijfels.

zondag 7 oktober 2007

7.Maandagochtend aan de kust

Zoals gewoonlijk gaan de dingen elders gewoon verder.
Zo ook hier aan de kust, waar alles gaat zoals het altijd gaat, of vandaag niet

Na alles wat ze in al die jaren meegemaakt hebben, was dit wel het laatste wat ze verwacht hadden.
Gewoon een telefoontje, een onschuldig telefoontje, een normaal gesprek over de dagelijkse beslommeringen, het weer en de kinderen.
Maar toch die andere stem op de achtergrond, wie was het?, waar kwam die stem vandaan?
Zichzelf in beeldend dat het waarschijnlijk een storing op het telefoonnet was, wat wel vaker voorgevallen was, gingen ze onverstoord verder met hun gesprek.
"Wat ik me afvraag, waar zijn ze dan heen verhuisd, ze waren in een keer weg."vroeg de stem aan de andere kant.
"Ja, ze waren in een keer weg, alsof de aardbodem zich opende om ze in een keer mee te nemen."
De twee vrouwen aan de lijn kenden elkaar al vanaf kinds af aan, niks in de decennia dat ze elkaar kenden, wisten ze niet van elkaar, ze hadden lief en leed, hun huwelijken en de geboortes van elkaars kinderen van dichtbij meegemaakt.
Maar toch klonk het of er aan de andere kant iemand extra stond die het gesprek volgde en van commentaar voorzag.
"Ze werden gehaald omdat het hun tijd was, de rekening werd vereffend", zei de onbekende stem.
"Wie is er bij jou?", vroeg Janet enigszins geërgerd.
"Niemand, ik dacht dat het bij jou was eigenlijk,"
"Maar wie zou er bij mij moeten zijn Eef ?, De kinderen zijn op school en je weet dat ik al twee jaar geen omgang heb met hun vader.

Eef kende haar vriendin door en door en toen haar man zich van de een op andere dag niet meer liet zien, had ze haar bij gestaan met de opvoeding van de kinderen en eerlijk gezegd zag ze haar vriendin er niet voor aan ineens iets met een man te beginnen, ze zou het als eerste geweten hebben, ze hadden geen geheimen tegenover elkaar.

Maar die stem aan de andere kant van de lijn, niet ver weg zoals normaal bij een storing, maar net of het een directe lijn was, alsof ze met die stem aan het bellen was.
Het zal wel zo lijken want dat kon...
"Net als jullie tijd weldra ook zal komen, je krijgt waar je om vraagt"
"Wie is dit, dit is niet leuk meer,"Janet klonk alsof ze het meende.
"Eenieder krijgt waar ze om vraagt.", "Maar ik heb nergens om gevraagd, ik zou niet weten waar ik om gevraagd moet hebben."Janet kreeg kippevel van dit hele gesprek.
"Onbewust vraag je altijd om de dingen, die je normaal uit besef nooit zou vragen en dat horen wij wel, wij weten jouw wensen, jouw eisen, jouw lusten."
"Janet, wat bedoelt hij, waar gaat dit over, lieverd toen ik zei dat je eens een leuke vent aan de haak moest slaan, bedoelde ik dit niet."
Maar eigenlijk wist ze het wel, haar vriendin had zoveel geleden, dat ze de deur niet uit zou gaan om alleen een leuke vent op te sporen, zo was ze nooit geweest en zou ze ook nooit worden.
Eef wist dit, want ze voelde zich nog altijd schuldig omdat zij degene was geweest die haar en haar man bij elkander bracht, zij kon ook niet weten dat hij zo was, maar een schuldgevoel verschijnt eerder dan het verdwijnt.

Maar wie of wat was er aan de andere kant van de lijn en wat werd er bedoeld met onbewuste bedoelingen, welke wensen, waar doelde hij op ?
Met de beste bedoelingen in de wereld, hadden de twee vrouwen elkaar gesteund in moeilijke tijden, het verdwijnen van Janet`s man, de ziekte en de slopende weken in het ziekenhuis van Eef, waar hadden ze om gevraagd?
En het klonk zo serieus allemaal, een grappenmaker zou zichzelf allang verraden hebben.
Toch die twijfel, het niet snappen en het waarom wij gevoel overheersen alle emoties.
"Ik kom zo wel naar je toe Eef," is het laatste wat er gewisseld word over de telefoon,"ik kom zo wel naar je toe, goed?"

6. een derde partij.




Walging, het enige wat het voelde was walging, dat innig klef gedoe, was niet voor hem besteed, het bracht een golf van ontzet met zich mee, dit hoefde hij niet te aanschouwen, het was immers zijn gastverblijf, niet meer van de persoon die met die vrouw, bezig was.
Als het eenmaal zover was zouden ze deze vorm van contact uitroeien, het innig samenspel van deze wezens was nergens voor nodig, zij groeiden vanzelf, als zij eenmaal ingenesteld waren in een gastverblijf.
Tot de tijd zo ver was, tot hij volgroeid was, moest hij het tolereren, maar als de tijd rijp was, zou de ziel willen, nooit deze walgelijke drang gehad te hebben.



Alsof er niks in hem huisde ging Tom verder met de samensmelting met zijn vrouw, op een of andere manier, scheen hetgeen zich in hem ophield niet door te stoten, geen macht meer uit te kunnen oefenen op zijn gedachtes, zijn motoriek en kon hij al zijn gevoel en emotie ruim baan geven, zijn vrouw, zijn grote liefde, de moeder van zijn kinderen, zijn alles, zij was een met hem.
Toch bleef in zijn achterhoofd de gedachte, dat dit misschien wel de laatste keer kon zijn.

En of hij dat aan zou kunnen, hij wilde het antwoord nooit weten, niet erkennen dat zijn grootste angst wel eens werkelijkheid kon worden.

Uiteindelijk.

5. De liefde.



Het word tegengehouden, op de een af andere manier, is er iets wat zijn ontwikkeling tegenhoud, het groeit wel, maar niet met de gewenste snelheid, er is iets wat tegenwerkt.
Voor iets wat zich superieur waant door de emotie en diepgewortelde verlangens te misbruiken is het niet te verkroppen tegengewerkt te worden door zoiets onbenulligs als deze valse hoop, deze nutteloze vorm van emotie, liefde.
Maar schijnbaar is dat toch hetgeen wat hem belemmert in zijn ontwikkeling, de liefde voor zijn vrouw en kinderen, de wil en de kracht om te vechten voor hetgeen hem dierbaar is, diep van binnen niet bereid op te geven, maar alles op alles zetten om te overleven.
Er is dus toch tegenstand in deze wezens, hoe miniem hun overlevingskansen, hoe extreem hun wil is om te overleven omwille van een ander.
Misschien was dit och niet het meest ideale exemplaar geweest.

Dit exemplaar gaat niet naar huis, niet naar de plaats waar hij heen moet, zijn wil dwingt hem niet te doen, wat hem opgelegd word, hij deserteert, hij volgt geen bevelen op.
De liefde wint en dat is niet te verkroppen, het gaat tijd kosten om hem te breken, maar breken zal hij, uiteindelijk zal duidelijk worden wie superieur is en dit wezen is dat niet, nu niet, nooit.


5.1. Haar droom.

De lucht om haar heen word ijler, haar adem stokt een keer om vervolgens met een hoestbui te eindigen, de brok in haar keel blijft onvermurwbaar, mede door al het gal wat meegekomen is.
Huilend vraagt ze zich af of God haar gehoord heeft, of Hij haar bijstaat en haar wil helpen, zij was toch ook een van Zijn kinderen ?
Waarom is er niets en niemand die iets doet? Iets kan doen, iets voor haar Tom en voor haar kinderen en haarzelf.
Ze staat er alleen voor net als haar Tom, maar voor hoelang nog, voordat zijn ziel uit zijn lichaam word verbannen en het kwaad er zich permanent in nestelt, zich eigen maakt van het lichaam van haar man.
Langzamerhand ziet ze het voor zich, hoe het kwaad zich steeds meer meester maakt van het lichaam, de ziel verdrijft en als een poppenspeler gebruikt van het lichaam, het bespelen zonder touwtjes maar met de behendigheid van een natuurgetrouw mens.
Mijn man word een speelpop, een gebruiksvoorwerp zonder eigen wil, zonder ziel, alleen het lichaam, de verpakking word in gebruik genomen.
Maar wat gebeurt er met de rest, de ziel, het gevoel, de emotie, de liefde, de liefde tussen hun, de verbintenis waar het in resulteerde, de kinderen, het geluk ?
Ze slikt en ademt diep in, haar zicht vertroebelt en een wazig beeld word steeds grauwer, donkerder, ze zakt steeds verder weg.
Tot...ze het bewustzijn verliest en langzaam languit over de vloer schuift en stil blijft liggen.

Dan ziet ze hem, Tom, haar man, de man waar ze zo van houd, zielsgelukkig mee is en de rest van haar leven mee zou delen, het leven heeft wel een andere betekenis gekregen.
De omgeving waarin hij zich bevind heeft een rustgevende gloed over zich, zachte kleuren veranderen langzaam van roze naar lichtgeel naar oranje lichtrood, zachte kleuren die een warm gevoel oproepen, het gevoel wat ze altijd had als hij tegen haar aan kroop, haar vasthield, haar streelde, haar kuste, ze kust hem, ze heeft hem gemist, oh wat heeft ze hem gemist.
Ze houd hem stevig vast, slaat haar armen om hem heen, houd hem vast om nooit meer te laten gaan, haar man, haar grote liefde.
Met een glimlach op haar lippen zakt ze weg in een diepe slaap, met haar man in haar gedachte, droomt ze over de mooie momenten die ze samen hadden en misschien ooit weer.
Als met toverslag verscheen hij aan haar zijde en even was het of alles bij het oude was, een innig samenspel van al die jaren van verbintenis en liefde.
Zoals zij jaren daarvoor elkaar al intens hadden leren kennen, elk deel van ieder kende en wist wat de ander verlangde, de tederheid, het genot, echte liefde.

Ze ontwaakte uit haar droom, ruw en geschrokken, bang voor wat ze aan zou treffen, bang om alleen te zijn, alleen achter te blijven, alleen alleen.
Maar voor haar stond hij toch echt, haar Tom, haar man, ze had van hem, over hem gedroomd en hier stond hij, voor haar, zoals ze hem kende, altijd al gekend had.
Alsof hij even opgestaan was voor wat lucht, zo innig ging haar droom verder in de werkelijkheid, zo onwerkelijk, zo echt, zo tastbaar, maar toch een droom in werkelijkheid.
"Waar zat je ?" vroeg ze hem.
"Ver weg van beschaving, waar het moraal ver te zoeken is, ver weg van jou, omdat ik bang ben voor de gevolgen voor jou, voor ons en de kinderen" Hij slikte, even dacht ze dat hij weer zou verdwijnen, net zo snel als hij verschenen was, maar niks was minder waar, hij was er nog steeds en ging verder met zijn innig samenspel met de vrouw waar hij zoveel van hield.

4. Het ontbijt.




9.00 Maandag ochtend.


Het smaakte of het met bitter en gal bereid was, ze kreeg geen hap door haar keel, haar gedachte ging uit naar Tom, de ziel van Tom, want ze realiseerde zich dat dat misschien wel het enige was wat er nog over was van hem.
Ze slikt, de smaak van bitter in haar mond brand in haar neus, ze heeft overgegeven, maar het niet gemerkt.
Wat een geluk dat ze alleen is, de oudsten zijn op school en de jongste is bij haar moeder.
Nu ze alleen is, komen alle remmen los en geeft ze toe aan het gevoel van verslagenheid, ze verliest hetgeen haar op de been hield en kan alleen maar toekijken, want wat kan ze doen.


4.1 De zon, de hel.


De dag is op het eerste gezicht mooi, voor iemand die zoiets zwaars niet te verwerken heeft.
De zonnestralen schijnen de keuken binnen, zo fel dat het haar ogen pijn doet, waarschijnlijk is de zon niet zo fel, maar na de afgelopen nacht is alles anders, alles zo onwerkelijk, zo onecht, maar toch zo dichtbij.
Ze laat de jaloezieën zakken en hoopt hiermee de pijn aan haar ogen te minderen, het licht is minder fel, maar brand nog steeds op haar netvlies, dwars door de jaloezieën heen, weer die brandende smaak in haar mond en de smaak van bloed, ze heeft haar lip stuk gebeten.
Het tafelkleed heeft een rood motief gekregen, rode spetters en druppels liggen als een patroon verspreid op het kleed.
Waarom jij Tom ?, vraagt ze zichzelf af, waarom wij, waar hebben wij dit aan verdient?
Als ze weer bij zinnen komt, bemerkt ze dat ze haar handen gevouwen heeft, ze bid, ze is nooit gelovig geweest, maar nu bid ze toch echt, haar man heeft een pact met de duivel en zij bid voor beter, voor vergiffenis, voor haar man, haar Tom, haar man Tom terug, gewoon haar man terug zoals alles was, geen wit doek, alleen haar man terug.
Bloedend met een rode vlek op haar hemd en op het tafelkleed, met braaksel over haar kleding en op de vloer, zit ze en bid ze, de mens in al haar nederigheid, biddend voor een teken, een teken dat alles goed komt.
Maar god geeft niet thuis.
En Tom is er ook niet, nog lang niet.

4.2 Tom, zijn last en wil om door te gaan

"Gaat het een beetje met u?", Tom schrikt op, of wakker is misschien een beter woord, was hij nu in slaap gevallen, een jongen van een jaar of zestien,, zeventien kijkt hem aan,"Ik vond u hier liggend bij het beeld, ik had u al vaker hier gezien en vaak maakt u een verwarde indruk, alsof u het zelf niet bent."Tom kijkt eens goed en dan herkent hij de jongen, "jij deed bij ons de tuin toch?"
"Jazeker dat klopt, tot we vorig jaar verhuist zijn, ik wist niet zeker of u het was, je komt hier zoveel rare mensen tegen de laatste tijd", je moest eens weten dacht Tom, rare mensen zijn heel normaal als je weet wat er met mij gebeurt de laatste tijd.
"Bedankt jongen, ik weet ook niet precies wat er allemaal met me gebeurt maar echt goed is het niet te noemen.
De jongen kijkt verrast, niet geschrokken, maar gewoon verrast, alsof Tom een truc met een kwartje doet het uit zijn oor tovert of zo, maar was dat maar alles, dacht Tom, dan toverde ik alles weer normaal, als ik dat maar kon.
"Ik moet weet verder, terug naar huis toe",de jongen knikt, "doe uw vrouw de groeten van me en hoe is het met uw kinderen?","Goed" Tom hoopt dat dat ook het geval is, maar op dit moment weet hij eigenlijk maar een ding, veel tijd samen hebben ze niet.
Hij voelt dat ergens diep in zijn lichaam, er iets beweegt, iets tot leven komt, hij vreest dat thuis komen nu niet zal lukken, misschien nooit meer.

Het gevoel word erger, Tom loopt snel weg, weg van de plek waar hij het bewustzijn heeft verloren, weg van het park, weg van de andere kant van de stad.Hij loopt weg maar waarheen weet hij nog niet, hij wil naar huis, maar hij weet niet of dat wel het meest wijze plan is, maar zijn vrouw, zij moet toch ook weten wat er gebeurt, maar wat als het ding in zijn lichaam hem dan de baas word en haar iets aandoet, zou hij het zichzelf kunnen vergeven, hij slikt, het antwoord op zijn vraag weet hij al.

Terwijl hij loopt, strompelt , valt, weer opstaat en probeert zijn weg te vervolgen, spookt er van alles door zijn hoofd, waarom dit, waarom deze demon in zijn lijf, de afgod zelf die zijn deel van de afspraak komt halen.
Hij had helemaal geen afspraak met de duivel gemaakt, deze duivel kwam zelf opzetten en hielp hem te schrijven op momenten dat woorden stokten, zinnen haperden en er niks uit zijn gedachte kwam, maar hij had nooit gevraagd om dit alles.
Dit had hij niet gevraagd, hij was gelukkig met zijn leven, zijn vrouw en kinderen, zijn schrijfwerk en de alledaagse gang van bestaan.
Hij gaat verder.

3.De dag ontwaakt.




Het heeft geen besef van tijd, alleen het bestaan telt, het ontstaan en het ontwikkelen van zichzelf telt, het ontplooien tot een volwassen exemplaar.
Het lichaam wat het uitgezocht had, was een goed exemplaar, makkelijk te controleren en anderen om zich heen die er voor zorgden dat het zich in toom hield.
Makkelijk die zwakheden in emoties.
Toch waren er een aantal dingen die nog niet onder controle waren, het lichaam had een ziel en die ziel zou niet gemakkelijk verdwijnen.
In alle zwakheden, schuilde toch een kracht en het lichaam putte dit uit de liefde voor zijn vrouw en kinderen, hoe gevoelig en stom.
Uiteindelijk zou het de ziel uitdrijven, het lichaam overnemen en zouden de anderen snel volgen, want ze waren met meer dan een, alleen het was vooruit gezonden om te ontdekken, hoe makkelijk deze wezens te beïnvloeden waren, erg gemakkelijk eigenlijk, gewoon een kwestie van geven wat ze in het diepst van hun verlangen hebben en ze zijn helemaal als was in je handen.
Dit lichaam was makkelijk geweest, de wens lag er zo dik bovenop, dat zonder te kijken al te zien was wat dit was.
De anderen zouden meer moeite moeten doen, want dit exemplaar was van hem en zou hem toebehoren tot het einde.
En als het opgebruikt was, waren er nog genoeg anderen om op te teren, zolang ze wensen hadden, waren ze makkelijk over te halen.
Dat verlangen, zo simpel, zo verleidend, het was er gevoelloos voor, het teerde op de verleiding die het gaf en de ziel in het lichaam gaf alle ruimte om te nestelen.
De mens was toch wel het makkelijkste wezen om over te halen, ondanks dat het geëvolueerd was, had het behoefte buiten instinct en drang om en dat maakte ze zo kwetsbaar.
Het gaf niet dat de ziel vocht, het was toch geen partij, het zou vroeg of laat breken en het lichaam verlaten.
Uiteindelijk zou het overwinnen en volgden de anderen.

2. Tom`s beleving.




14.35 Maandagmiddag


Tom bevind zich op een plaats die hij maar al te goed kent, althans hij is hier vaker geweest, te vaak.
Maar iets dwingt hem, steeds weer deze kant op te gaan.
Iets wat steeds meer de overhand krijgt over zijn wil, zijn lichaam, zijn geest.
Iets wat hem steeds meer laat schrijven, steeds mooier, steeds meer, steeds beter.
Maar als dit de prijs is die hij ervoor moet betalen, wil hij het niet meer, dit niet, nooit meer.
Deze kant van de stad is slecht, bedorven, de mensen hier schijnen dat niet te ervaren, maar zij beleven het hier anders, zij horen hier, zij weten niet beter dan dat dit Sodom en Gomorra hun thuishaven is, hun wereld.
Wat is het aan deze kant van de stad wat hem of hetgeen hem overneemt, steeds weer hierheen verlangt, hem hierheen zuigt als het ware.
Waarom is hij niet gewoon thuis, thuis waar hij hoort te zijn, bij zijn vrouw en kinderen, schrijvend aan een nieuw verhaal, wat gewoon ontstaat, door te wachten, de woorden vanzelf ontstaan, zich vormen tot zinnen, alinea`s, hoofdstukken, waarom nu alles op deze manier ?
Hoe zou zijn vrouw er aan toe zijn en de kinderen, mijn god de kinderen, de jongste had door dat er iets aan hem was, iets wat ooit niet was, iets wat langzaam zijn wereld overnam.
Hoe zou het met hun zijn?
De vragen spoken door zijn hoofd, het is nu al een dag geleden dat hij ze voor het laatst zag, hij wil terug, maar kan zich niet bewegen.
Zijn lichaam is niet in zijn macht, hij is een gast in zijn eigen lichaam, mag aanschouwen wat ermee gebeurt, maar kan niets controleren, hij heeft totaal geen zeggenschap over zichzelf.
Hoe lang nog voordat dit realiteit blijft en hij ook als gast niet meer welkom is in zijn eigen lichaam, dat hij uiteindelijk verstoten word uit zijn eigen lichaam.
Lichaam en geest gescheiden van elkaar, zou het mogelijk zijn,?, waarschijnlijk zal hij een dezer dagen de waarheid achter deze vraag weten, zonder het antwoord te willen weten.

Hoe is het zover gekomen?
Waarom ?
En waarom ik?
Mijn vrouw, mijn kinderen, denkt Tom, wat hebben zij gedaan om dit te overkomen.
Ik wilde alleen mijn witte doek schrijven, zonder dit alles.
Alleen wat verder komen in het leven, maar ik heb hier niet om gevraagd, ik heb nergens om gevraagd.


15.06 Maandagmiddag.


In het park,ontwaakt hij met een gevoel of hij gevierendeeld is, moe, gebroken en met weinig controle over zichzelf.
Hij heeft weer de overhand over zijn lichaam en geest, maar beseft zich goed, dat dit waarschijnlijk een van de laatste keren zal zijn. Het besef veroorzaakt een stekende hoofdpijn, een hele verademing met het gevoel eerder op de dag.
Als hij zou moeten beschrijven wat hij de afgelopen vierentwintig uur voelde, zou hij het niet kunnen, geen woord zou omschrijven wat hij meemaakte.
Als hij aanstalten maakt om naar huis te keren, beseft hij dat hij binnenkort dit niet meer zal kunnen.
Dan gaat iemand of iets anders in zijn plaats, op dit moment neemt angst het over van zijn verstand.
Huilend gaat hij zitten en realiseert hij zich dat hij zijn vrouw en kinderen misschien voor het laatst zal zien. Dit besef komt hard aan, te hard voor iemand als hem, langzaam zakt hij steeds verder in elkaar en breekt het hem van binnen op.
Wat als dit de laatste keer is, wat moet ik doen, wat kan ik doen, wat kan ik zeggen.
En als de wanhoop steeds meer van hem opbreekt, staat hij toch maar op en vertrekt, richting huis, wetend dat dit misschien de laatste keer is.
Wat zeg ik mijn vrouw, wat vertel ik mijn kinderen, hoe vertel ik het mezelf ?
De weg lijkt nu nog langer dan normaal, het gewicht van de waarheid is zwaarder dan de aarde op Atlas en zal deze weg nog zwaarder worden.
Hij is een gebroken man.


1. Een mooie dag.




14.08 zondagmiddag.


Zomaar een dag in het leven, niks aan de hand, mooi weer en nog veel meer moois in het verschiet.
Voor deze tijd van het jaar is het meer dan gemiddeld, het is een mooie dag.
De zon kleurt de straten lichter dan ze al zijn, de bomen laten met hun prachtige groene bladeren een flauw groene schemering over de patio vallen.
De tuinen liggen er mooi bij, alsof hier wekelijks wedstrijden worden gehouden wie deze keer de mooiste tuin heeft.
Als een wijk een plaats verdient op de kaart als mooiste plek op aarde, zou deze zeker hoog eindigen
Zo mooi is het in geen jaren geweest, zeker niet de afgelopen jaren, waarin de zon zich echt weinig heeft vertoond.
Het is net of de zon en de mooie dingen in het leven bezig zijn met een inhaal race.
Of zich nog een keer bewijzen voordat...

De achterdeur slaat dicht, Tom loopt weg richting de straat.
"Waar ga je heen,?" vraagt ze, een beetje bezorgd is ze wel, niet meer uit nieuwsgierigheid, bezorgdheid is meer van toepassing.
"Gewoon een stukje om, ff frisse neus halen,"antwoord Tom.
Het is een dag uit het leven van twee heel normale mensen, althans tot op dat moment.


19.53 Zondagavond.


Waar zou hij zijn,vraagt ze zich af, het was niks voor Tom om zolang weg te blijven, anders had zij het wel doorgehad.
Er zal toch niks gebeurt zijn, welnee, bedenkt ze zich,hij is al vaker wat langer weggeweest en altijd weer teruggekomen.
Alleen de laatste keren, was hij ander, alsof hem iets overkomen was, iets wat zijn sporen achter had gelaten, iets wat een litteken op zijn ziel had veroorzaakt.
Hij was en goed echtgenoot en vader, schreef voor zijn geld en had als een van de weinigen daadwerkelijk van zijn hobby zijn broodwinning gemaakt.
Niet dat Tom zich in een adem liet noemen met de groten der aarde, hij schreef en verdiende er en boterham mee en beleg kon er ook nog vanaf.
Maar toch was hij er niet helemaal gelukkig mee, zoals nu, op dit moment, altijd als het niet meer wilde vloeien, ging hij een stuk lopen en maakte op de een of andere manier iets mee, zag hij iets, iets onverklaarbaar voor een ander, maar wel zoveel impact had, dat er hoofdstukken hun geboorte zagen.
Het had ook zijn voordelen, maar of een voordeel niet beter als nadeel gezien kan worden, de vraag, die zij zich wel een stelde, wat nu als hij niet meer zou schrijven, word hij dan weer de oude ?


20.04 Zondagavond


Hoewel het vaker gebeurde dat hij uren, soms een hele dag weg was, zelfs afgelopen oktober een heel weekend, maakte zich nu toch wel zorgen, vrouwelijke intuïtie en ervaring, maakte dat zij zich zorgen maakte.
Want wat was het dat haar man meemaakte op zijn wandeltochten, wat kon het zijn wat zo`n impact maakte, dat hij lijkbleek en doodmoe thuiskwam, om vervolgens uren achtereen opgesloten in zijn werkkamer bezig te zijn met zijn nieuwste creatie, zijn nieuwste kind.

Waar zou hij zijn, wat ziet hij op dit moment, wie is er bij hem, of erger wat is er bij hem.
Steeds meer en meer, maakt ze zich zorgen om hem, om hun samen, de kinderen.
Wat als het hem nu zo beïnvloed dat hij doorslaat en mij of de kinderen iets aandoet.
Nooit in die veertien jaren van hun huwelijk had hij haar iets gedaan, laat staan gezegd of gedreigd. Veel van haar vriendinnen die al reeds gescheiden of hertrouwd waren of gewoonweg een relatie niet meer zagen zitten, waren jaloers op hun huwelijk, nooit was er iets voorgevallen wat de twijfel over hu liet vallen, perfect was het niet, zij hadden ook hun momenten, maar op een of andere manier, liep het als een goed geoliede machine. Alsof ieder jaar hun huwelijk een onderhoudsbeurt kreeg, weer een jaar in orde.
Nee, op dit moment kon ze de mooie momenten even niet voor de geest halen, er was even geen sprookjeswereld waarin zij zich waande, eerder een nachtmerrie.
Steeds meer en meer kreeg zij het idee dat Tom, haar Tom, niet meer was wie hij eerst was.
Zo van de een op andere dag, verdween haar man, de vader van hun kinderen en kwam er iets anders voor in de plaats, verpakt in het lichaam van ooit Tom.
Het was alsof hij geruild had met iets anders, want wat er in hem huisde, was voor haar idee niet echt menselijk, of niet meer.



23.34 Zondagnacht


Draaiend en zwetend lag ze in bed, zichzelf afvragend, waar Tom nu zou zijn, de innerlijke Tom, want zijn lichaam als verpakking voor de andere verschijning, doolde waarschijnlijk aan de andere kant van de stad rond.

De andere kant, waar het leven hard was en waar je je kinderen niet zou willen laten wonen, laat staan rond laten lopen.
Daar was het slecht, bedorven, niet zoals hier waar de zon wel kwam en er leven was.
Niet dat de andere kant een dooie bedoeling was, de mensen leefden er volop, genoten er, maar op een minder sociaal niveau.
Het word haar teveel, dit alles, haar man weg, waarheen kan ze alleen maar raden en als hij terugkeert, wat komt er dan terug, haar man zoals ze hem al achttien en een half jaar kent, of alleen zijn lichaam als een verpakking voor iets anders ?

Wat als het zijn plaats voorgoed innam, haar Tom voorgoed verdween?
Hoe zouden de kinderen reageren, de jongste vijf jaren oud, merkte als eerste dat papa veranderde, een groeiende angst ontstond bij haar toen Tom op een gegeven moment weer thuis kwam, na twee dagen weg geweest te zijn.
Kinderen, vooral jonge kleine kinderen, zien meer dan volwassenen, een soort gave.
Zij had haar vader gezien, of eigenlijk hetgeen gezien wat in haar vader huisde.
Schreeuwend had ze duidelijk gemaakt het niet te vertrouwen, het beangstigde haar, het was en kwaad wat zijn gezicht alleen aan haar toonde.
Gek genoeg overkwam haar niks, misschien was het nog niet volgroeid, had het de kracht nog niet om de overhand te nemen.


02.23 Maandagochtend.


Verschrikt word ze wakker, een geluid, onbekend, maar niet bedreigend.
Ze moet toch in slaap gevallen zijn, de tv verlicht de kamer, geluid komt er nauwelijks, ze laat het meestal uit `s avonds, meer als afleiding dan als bezigheid, ze heeft nooit van tv gehouden.
Een enkele keer kon ze het wel waarderen om een film te kijken, maar liever ging zij naar de bioscoop, films behoorden naar haar mening alleen daar vertoond te worden, daar waren films voor gemaakt, het grote witte doek.
"Eens komt de dag dat jouw boeken ook op het grote witte doek te zien zijn lieverd", had ze Tom gezegd.
"Alleen als ik mijn ziel aan de duivel verkoop, zal ik op het witte doek te zien zijn",grapte hij als antwoord.
Zijn woorden, nu zo echt, alsof hij nu echt zijn pact met de duivel gesloten had.
Het spookte door haar hoofd.
De grens tussen werkelijkheid en illusie was een stuk ijler geworden, alsof de werkelijkheid het verloor van de nachtmerrie.
Waar was hij, niet allen zijn lichaam, maar het geheel, Tom, haar Tom, de man van wie ze hield, waar ze haar ja -woord aan gaf, wiens kinderen zij baarde, haar Tom.


06.19 Maandagochtend.


Wakker, alsof ze nauwelijks geslapen had, draaide ze de kraan open, bekeek zichzelf in de spiegel, niet van wat ooit een sterke vrouw was geweest leek tegenover haar in de spiegel te staan.
Ze houd haar hoofd onder de kraan en spoelt haar gezicht af, ze moet zich groot houden.
De kinderen komen ook zo uit bed, ze zullen merken dat er iets is, maar voor zover zij het idee hebben dat er weinig tot niets aan de hand is, kan hun leven tenminste wel rustig zijn gang gaan.
Maar hoe moeilijk is het om je kinderen voor te liegen, ze iets voorhouden wat niet echt is, blijven lachen, terwijl achter de lach je leven instort, waarom ook, waarom ?
De oudsten gaan straks naar school, alleen de jongste blijft nog thuis, nog enkele weken dan gaat ze ook naar school.
En dan.
Wat als ze alleen thuis is en datgene in Tom is er ook, wat gebeurt er dan, ze wil er niet aan denken, onderdrukt haar gedachtes, omwille van de kinderen.
Wat nu, denkt ze, als de kinderen er niet waren geweest.
Met die vraag komen ook de tranen, alsof alle ellende uit een leven samengevoegd haar verstand bereikt en alles haar eindelijk teveel word, ze laat het lopen, langs haar wangen, haar kin, druppels raken de badkamer vloer en vormen een plasje langzaam tot een groter geheel.
Wat nou als de kinderen er niet waren geweest ?
Ze wil er niet aan denken.
Dat is haar vraag, haar angst, wat nu als de kinderen er niet waren geweest.