zondag 7 oktober 2007

5. De liefde.



Het word tegengehouden, op de een af andere manier, is er iets wat zijn ontwikkeling tegenhoud, het groeit wel, maar niet met de gewenste snelheid, er is iets wat tegenwerkt.
Voor iets wat zich superieur waant door de emotie en diepgewortelde verlangens te misbruiken is het niet te verkroppen tegengewerkt te worden door zoiets onbenulligs als deze valse hoop, deze nutteloze vorm van emotie, liefde.
Maar schijnbaar is dat toch hetgeen wat hem belemmert in zijn ontwikkeling, de liefde voor zijn vrouw en kinderen, de wil en de kracht om te vechten voor hetgeen hem dierbaar is, diep van binnen niet bereid op te geven, maar alles op alles zetten om te overleven.
Er is dus toch tegenstand in deze wezens, hoe miniem hun overlevingskansen, hoe extreem hun wil is om te overleven omwille van een ander.
Misschien was dit och niet het meest ideale exemplaar geweest.

Dit exemplaar gaat niet naar huis, niet naar de plaats waar hij heen moet, zijn wil dwingt hem niet te doen, wat hem opgelegd word, hij deserteert, hij volgt geen bevelen op.
De liefde wint en dat is niet te verkroppen, het gaat tijd kosten om hem te breken, maar breken zal hij, uiteindelijk zal duidelijk worden wie superieur is en dit wezen is dat niet, nu niet, nooit.


5.1. Haar droom.

De lucht om haar heen word ijler, haar adem stokt een keer om vervolgens met een hoestbui te eindigen, de brok in haar keel blijft onvermurwbaar, mede door al het gal wat meegekomen is.
Huilend vraagt ze zich af of God haar gehoord heeft, of Hij haar bijstaat en haar wil helpen, zij was toch ook een van Zijn kinderen ?
Waarom is er niets en niemand die iets doet? Iets kan doen, iets voor haar Tom en voor haar kinderen en haarzelf.
Ze staat er alleen voor net als haar Tom, maar voor hoelang nog, voordat zijn ziel uit zijn lichaam word verbannen en het kwaad er zich permanent in nestelt, zich eigen maakt van het lichaam van haar man.
Langzamerhand ziet ze het voor zich, hoe het kwaad zich steeds meer meester maakt van het lichaam, de ziel verdrijft en als een poppenspeler gebruikt van het lichaam, het bespelen zonder touwtjes maar met de behendigheid van een natuurgetrouw mens.
Mijn man word een speelpop, een gebruiksvoorwerp zonder eigen wil, zonder ziel, alleen het lichaam, de verpakking word in gebruik genomen.
Maar wat gebeurt er met de rest, de ziel, het gevoel, de emotie, de liefde, de liefde tussen hun, de verbintenis waar het in resulteerde, de kinderen, het geluk ?
Ze slikt en ademt diep in, haar zicht vertroebelt en een wazig beeld word steeds grauwer, donkerder, ze zakt steeds verder weg.
Tot...ze het bewustzijn verliest en langzaam languit over de vloer schuift en stil blijft liggen.

Dan ziet ze hem, Tom, haar man, de man waar ze zo van houd, zielsgelukkig mee is en de rest van haar leven mee zou delen, het leven heeft wel een andere betekenis gekregen.
De omgeving waarin hij zich bevind heeft een rustgevende gloed over zich, zachte kleuren veranderen langzaam van roze naar lichtgeel naar oranje lichtrood, zachte kleuren die een warm gevoel oproepen, het gevoel wat ze altijd had als hij tegen haar aan kroop, haar vasthield, haar streelde, haar kuste, ze kust hem, ze heeft hem gemist, oh wat heeft ze hem gemist.
Ze houd hem stevig vast, slaat haar armen om hem heen, houd hem vast om nooit meer te laten gaan, haar man, haar grote liefde.
Met een glimlach op haar lippen zakt ze weg in een diepe slaap, met haar man in haar gedachte, droomt ze over de mooie momenten die ze samen hadden en misschien ooit weer.
Als met toverslag verscheen hij aan haar zijde en even was het of alles bij het oude was, een innig samenspel van al die jaren van verbintenis en liefde.
Zoals zij jaren daarvoor elkaar al intens hadden leren kennen, elk deel van ieder kende en wist wat de ander verlangde, de tederheid, het genot, echte liefde.

Ze ontwaakte uit haar droom, ruw en geschrokken, bang voor wat ze aan zou treffen, bang om alleen te zijn, alleen achter te blijven, alleen alleen.
Maar voor haar stond hij toch echt, haar Tom, haar man, ze had van hem, over hem gedroomd en hier stond hij, voor haar, zoals ze hem kende, altijd al gekend had.
Alsof hij even opgestaan was voor wat lucht, zo innig ging haar droom verder in de werkelijkheid, zo onwerkelijk, zo echt, zo tastbaar, maar toch een droom in werkelijkheid.
"Waar zat je ?" vroeg ze hem.
"Ver weg van beschaving, waar het moraal ver te zoeken is, ver weg van jou, omdat ik bang ben voor de gevolgen voor jou, voor ons en de kinderen" Hij slikte, even dacht ze dat hij weer zou verdwijnen, net zo snel als hij verschenen was, maar niks was minder waar, hij was er nog steeds en ging verder met zijn innig samenspel met de vrouw waar hij zoveel van hield.

Geen opmerkingen: