zondag 7 oktober 2007

4. Het ontbijt.




9.00 Maandag ochtend.


Het smaakte of het met bitter en gal bereid was, ze kreeg geen hap door haar keel, haar gedachte ging uit naar Tom, de ziel van Tom, want ze realiseerde zich dat dat misschien wel het enige was wat er nog over was van hem.
Ze slikt, de smaak van bitter in haar mond brand in haar neus, ze heeft overgegeven, maar het niet gemerkt.
Wat een geluk dat ze alleen is, de oudsten zijn op school en de jongste is bij haar moeder.
Nu ze alleen is, komen alle remmen los en geeft ze toe aan het gevoel van verslagenheid, ze verliest hetgeen haar op de been hield en kan alleen maar toekijken, want wat kan ze doen.


4.1 De zon, de hel.


De dag is op het eerste gezicht mooi, voor iemand die zoiets zwaars niet te verwerken heeft.
De zonnestralen schijnen de keuken binnen, zo fel dat het haar ogen pijn doet, waarschijnlijk is de zon niet zo fel, maar na de afgelopen nacht is alles anders, alles zo onwerkelijk, zo onecht, maar toch zo dichtbij.
Ze laat de jaloezieën zakken en hoopt hiermee de pijn aan haar ogen te minderen, het licht is minder fel, maar brand nog steeds op haar netvlies, dwars door de jaloezieën heen, weer die brandende smaak in haar mond en de smaak van bloed, ze heeft haar lip stuk gebeten.
Het tafelkleed heeft een rood motief gekregen, rode spetters en druppels liggen als een patroon verspreid op het kleed.
Waarom jij Tom ?, vraagt ze zichzelf af, waarom wij, waar hebben wij dit aan verdient?
Als ze weer bij zinnen komt, bemerkt ze dat ze haar handen gevouwen heeft, ze bid, ze is nooit gelovig geweest, maar nu bid ze toch echt, haar man heeft een pact met de duivel en zij bid voor beter, voor vergiffenis, voor haar man, haar Tom, haar man Tom terug, gewoon haar man terug zoals alles was, geen wit doek, alleen haar man terug.
Bloedend met een rode vlek op haar hemd en op het tafelkleed, met braaksel over haar kleding en op de vloer, zit ze en bid ze, de mens in al haar nederigheid, biddend voor een teken, een teken dat alles goed komt.
Maar god geeft niet thuis.
En Tom is er ook niet, nog lang niet.

4.2 Tom, zijn last en wil om door te gaan

"Gaat het een beetje met u?", Tom schrikt op, of wakker is misschien een beter woord, was hij nu in slaap gevallen, een jongen van een jaar of zestien,, zeventien kijkt hem aan,"Ik vond u hier liggend bij het beeld, ik had u al vaker hier gezien en vaak maakt u een verwarde indruk, alsof u het zelf niet bent."Tom kijkt eens goed en dan herkent hij de jongen, "jij deed bij ons de tuin toch?"
"Jazeker dat klopt, tot we vorig jaar verhuist zijn, ik wist niet zeker of u het was, je komt hier zoveel rare mensen tegen de laatste tijd", je moest eens weten dacht Tom, rare mensen zijn heel normaal als je weet wat er met mij gebeurt de laatste tijd.
"Bedankt jongen, ik weet ook niet precies wat er allemaal met me gebeurt maar echt goed is het niet te noemen.
De jongen kijkt verrast, niet geschrokken, maar gewoon verrast, alsof Tom een truc met een kwartje doet het uit zijn oor tovert of zo, maar was dat maar alles, dacht Tom, dan toverde ik alles weer normaal, als ik dat maar kon.
"Ik moet weet verder, terug naar huis toe",de jongen knikt, "doe uw vrouw de groeten van me en hoe is het met uw kinderen?","Goed" Tom hoopt dat dat ook het geval is, maar op dit moment weet hij eigenlijk maar een ding, veel tijd samen hebben ze niet.
Hij voelt dat ergens diep in zijn lichaam, er iets beweegt, iets tot leven komt, hij vreest dat thuis komen nu niet zal lukken, misschien nooit meer.

Het gevoel word erger, Tom loopt snel weg, weg van de plek waar hij het bewustzijn heeft verloren, weg van het park, weg van de andere kant van de stad.Hij loopt weg maar waarheen weet hij nog niet, hij wil naar huis, maar hij weet niet of dat wel het meest wijze plan is, maar zijn vrouw, zij moet toch ook weten wat er gebeurt, maar wat als het ding in zijn lichaam hem dan de baas word en haar iets aandoet, zou hij het zichzelf kunnen vergeven, hij slikt, het antwoord op zijn vraag weet hij al.

Terwijl hij loopt, strompelt , valt, weer opstaat en probeert zijn weg te vervolgen, spookt er van alles door zijn hoofd, waarom dit, waarom deze demon in zijn lijf, de afgod zelf die zijn deel van de afspraak komt halen.
Hij had helemaal geen afspraak met de duivel gemaakt, deze duivel kwam zelf opzetten en hielp hem te schrijven op momenten dat woorden stokten, zinnen haperden en er niks uit zijn gedachte kwam, maar hij had nooit gevraagd om dit alles.
Dit had hij niet gevraagd, hij was gelukkig met zijn leven, zijn vrouw en kinderen, zijn schrijfwerk en de alledaagse gang van bestaan.
Hij gaat verder.

Geen opmerkingen: