14.35 Maandagmiddag
Tom bevind zich op een plaats die hij maar al te goed kent, althans hij is hier vaker geweest, te vaak.
Maar iets dwingt hem, steeds weer deze kant op te gaan.
Iets wat steeds meer de overhand krijgt over zijn wil, zijn lichaam, zijn geest.
Iets wat hem steeds meer laat schrijven, steeds mooier, steeds meer, steeds beter.
Maar als dit de prijs is die hij ervoor moet betalen, wil hij het niet meer, dit niet, nooit meer.
Deze kant van de stad is slecht, bedorven, de mensen hier schijnen dat niet te ervaren, maar zij beleven het hier anders, zij horen hier, zij weten niet beter dan dat dit Sodom en Gomorra hun thuishaven is, hun wereld.
Wat is het aan deze kant van de stad wat hem of hetgeen hem overneemt, steeds weer hierheen verlangt, hem hierheen zuigt als het ware.
Waarom is hij niet gewoon thuis, thuis waar hij hoort te zijn, bij zijn vrouw en kinderen, schrijvend aan een nieuw verhaal, wat gewoon ontstaat, door te wachten, de woorden vanzelf ontstaan, zich vormen tot zinnen, alinea`s, hoofdstukken, waarom nu alles op deze manier ?
Hoe zou zijn vrouw er aan toe zijn en de kinderen, mijn god de kinderen, de jongste had door dat er iets aan hem was, iets wat ooit niet was, iets wat langzaam zijn wereld overnam.
Hoe zou het met hun zijn?
De vragen spoken door zijn hoofd, het is nu al een dag geleden dat hij ze voor het laatst zag, hij wil terug, maar kan zich niet bewegen.
Zijn lichaam is niet in zijn macht, hij is een gast in zijn eigen lichaam, mag aanschouwen wat ermee gebeurt, maar kan niets controleren, hij heeft totaal geen zeggenschap over zichzelf.
Hoe lang nog voordat dit realiteit blijft en hij ook als gast niet meer welkom is in zijn eigen lichaam, dat hij uiteindelijk verstoten word uit zijn eigen lichaam.
Lichaam en geest gescheiden van elkaar, zou het mogelijk zijn,?, waarschijnlijk zal hij een dezer dagen de waarheid achter deze vraag weten, zonder het antwoord te willen weten.
Waarom ?
En waarom ik?
Mijn vrouw, mijn kinderen, denkt Tom, wat hebben zij gedaan om dit te overkomen.
Ik wilde alleen mijn witte doek schrijven, zonder dit alles.
Alleen wat verder komen in het leven, maar ik heb hier niet om gevraagd, ik heb nergens om gevraagd.
15.06 Maandagmiddag.
In het park,ontwaakt hij met een gevoel of hij gevierendeeld is, moe, gebroken en met weinig controle over zichzelf.
Hij heeft weer de overhand over zijn lichaam en geest, maar beseft zich goed, dat dit waarschijnlijk een van de laatste keren zal zijn. Het besef veroorzaakt een stekende hoofdpijn, een hele verademing met het gevoel eerder op de dag.
Als hij zou moeten beschrijven wat hij de afgelopen vierentwintig uur voelde, zou hij het niet kunnen, geen woord zou omschrijven wat hij meemaakte.
Als hij aanstalten maakt om naar huis te keren, beseft hij dat hij binnenkort dit niet meer zal kunnen.
Dan gaat iemand of iets anders in zijn plaats, op dit moment neemt angst het over van zijn verstand.
Huilend gaat hij zitten en realiseert hij zich dat hij zijn vrouw en kinderen misschien voor het laatst zal zien. Dit besef komt hard aan, te hard voor iemand als hem, langzaam zakt hij steeds verder in elkaar en breekt het hem van binnen op.
Wat als dit de laatste keer is, wat moet ik doen, wat kan ik doen, wat kan ik zeggen.
En als de wanhoop steeds meer van hem opbreekt, staat hij toch maar op en vertrekt, richting huis, wetend dat dit misschien de laatste keer is.
Wat zeg ik mijn vrouw, wat vertel ik mijn kinderen, hoe vertel ik het mezelf ?
De weg lijkt nu nog langer dan normaal, het gewicht van de waarheid is zwaarder dan de aarde op Atlas en zal deze weg nog zwaarder worden.
Hij is een gebroken man.
Geen opmerkingen:
Een reactie posten